Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den voortijd, zoo wel den aartsvaderlijken als den richterlijken, knoopten, beschouwd werden als heilige plaatsen. Zoo verklaart het zich dan ook dat, alhoewel de ark thans te Jeruzalem was, de tabernakel met den brandofferaltaar zich toch nog te Gibeon kon bevinden en dat Salomo met zijn hof derwaarts heentoog tot het feest zijner kroning, of liever der toewijding zijnei regeering aan den Heer.

Na den feestelijken dag nu, te „Gibeon verscheen de Heer

aan Salomo in eenen droom des nachts; en God zeide: begeer

wat ik u geven zal."

In de droomen spiegelen zich vaak de gemoedstoestanden van den dag af, of komt ook wel eens het diep verholene en schijnbaar vergetene verleden weder op. Openbaringsdroomen nu hebben evenzeer een aanknoopingspunt in den gemoedstoestand die ze ontvangt, als ieder andere openbaringsvorm. De Geest Gods, die door en in alle menschelijke vermogens werkt, heeft altijd ergens eene aansluiting in den menschelijken geest: anders ware het onmogelijk zijn woord te ontvangen en zou hij buiten

den mensch blijven.

Dat Salomo dezen droom had toont ons dus hoedanig zijne gemoedsstemming was. Voorstellingen van ongekende heerlijkheid, denkbeelden van onbeperkte macht vervulden — hoe kon het anders na zulk een dag? — het hart van den twintigjarigen monarch. Wat hij op dezen dag had ondervonden, was immers geheel nieuw in Israël. Noch Saul, de man die de ezelinnen zijns vaders zoekende tot koning over Israël was gezalfd en eeist latei door het leger als zoodanig erkend, noch David, Salomo s vader, de voortvluchtige, de eerst alleen door Juda en eerst later dooide twaalf stammen gehuldigde, hadden zulk een dag beleefd. Eenvoudig luidt als altijd het verhaal hiervan bij den profetischen schrijver van het boek der Koningen. Alleen de latere chronist vermeldt uitvoeriger (2 Kron. 1), naar den induik die daarvan in de overlevering bewaard was, de heerlijkheid van dien dag: geen wonder, dat het gemoed des konings vervuld is van de

Sluiten