Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de heidenen gemeen zouden hebben, maar de vertoonmakerij voor de menschen; het gebed des Heeren staat echter in geen enkel verband met het verwijt van het jagen naar eer bij de menschen. Wij hebben hier dus veeleer een van de talrijke, aan den historischen samenhang der bergrede vreemde bestanddeelen, die in deze vereenigd zijn, om een volledige uiteenzetting van de nieuwe gerechtigheid te geven. Bij Lukas daarentegen is de aanleiding tot dit onderwijs over het gebed even eenvoudig als het verband tusschen de verschillende gedeelten daarvan natuurlijk is. Wij zullen de twee Evangelisten hier weêr vinden zooals wij hen kennen: Mattheus onderwijzende, Lukas verhalende.

Het bericht behelst: 1°. Het model van het christelijk gebed (vs. 1—4); 2°. een op de zekerheid der verhooring gegronde aanmoediging, om op deze wijze te bidden (vs. 5 13).

1°. Vs. 1—4: Het model-gebed.

Vs. 1. De aanleiding: „En het geschiedde, terwijl Hy in een zekere plaats biddende was, dat, toen Hij opgehouden had, een zijner discipelen tot Hem zeide: Heer! leer ons bidden, gelijk ook Johannes het zijn discipelen geleerd heeft".

Bij de Joden bad men geregeld driemaal per dag. Johannes de Dooper schijnt deze gewoonte, evenals die van het vasten, behouden te hebben (vs. 33); en zonder twijfel had hij met het oog op deze praxis een formulier-gebed voor zijn discipelen opgesteld. Deze door Lukas alleen bewaarde bijzonderheid is belangwekkend, en kan niet anders, dan echt zijn.

Ys. 2—4. Het Gebed des Heeren: „En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zegt dan: \ ader *)!

1) T. E. leest hier met A C D eu 15 Mjj. ItP'« Syr. (met Syrcur.), o sv tou; ovpxvott;] deze woorden zijn door NBL weggelaten.

Sluiten