Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geten en als het ware in God verloren heeft, komt hij tot zichzelf terug; maar daar hij zichzelf in God terugvindt, vindt hij zichzelf niet alleen terug. Hij beschouwt zich als een lid van het huisgezin Gods, en na Gij te hebben gezegd, gaat hij voort met: wij. Zoo wordt de broederlijke geest in het tweede gedeelte van het gebed de aanvulling van den kinderlijken, die het eerste had ingegeven; de broederlijke voorbede vloeit met de persoonlijke bede te zamen. Het gebed des Heeren is dus niets anders, dan het kort begrip der wet, in den vorm van het gebed in practijk gebracht ; het wordt eerst in het hart verwezenlijkt, om vandaar in het geheele leven over te gaan.

Volgens de Mss. schijnt het zeker te zijn, dat in den tekst van Lukas de aanspraak moet worden herleid tot het enkele woord: Vader. De woorden: onze, die in de hemelen zijt zijn in ons Evangelie een inlassching uit Mattheus; maar de volkomene aanspraak bij dezen is zonder twijfel overeenkomstig den vorm, dien de Heer werkelijk gebruikt heeft. In den titel Vader spreekt zich zoowel het gevoel der onderworpenheid als dat des vertrouwens uit. Deze benaming komt in het O. T. slechts Jes. 63 : 16 (vgl. Ps. 103:13) voor, en wordt slechts gebezigd met betrekking tot het volk als geheel. De vrome Israëliet gevoelde zich den dienstknecht van Jehova, en niet zijn kind. De kinderlijke betrekking van den geloovige tot God, die zich in dat woord uitdrukt, berust op de menschwording en de openbaring van den Zoon. Luk. 10:22: „Hij, wien de Zoon den Vader bekend wil maken". Vgl. Joh. 1:18. De woorden: die in de hemelen zijt bij Mattheus herinneren aan de almacht van dit oneindige Wezen, terwijl de naam: Vader zijn wijsheid en goedheid doet uitkomen.

De twee eerste beden hebben betrekking op de eere Gods; alleen het kind van God kan aldus bidden. Wetstein heeft een groot aantal plaatsen verzameld, die met deze twee beden overeenkomen en aan de Joodsche formulieren ontleend zijn. Ook het O. T. is vol dergelijke teksten. Doch de oorspronkelijkheid van dit eerste gedeelte van het Gebed

Sluiten