Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdeeling van het geestelijk voedsel aan de kudden, die de kerk uitmaken, aan het huis des Heeren, te zorgen-, vgl. de pastoraalbrieven en 1 Petr. 5. De theorie, die het pastoraat tot een uitvloeisel en een vertegenwoordiging van de kerk maakt, is niet bijbelsch; dit ambt is veeleer eeu uitvloeisel van het apostolaat, dat van Christus afkomstig is. Het is dus middellijk een instelling van Jezus-zelf, en wat zijn onafgebrokene verwezenlijking in de kerk betreft een gave van den verheerlijkten Christus; vgl. Efez. 4:11: „Bijzelf heeft sommigen tol apostelen... sommigen tot herders en leeraars gegeven." Van daar de geheel bijzondere verantwoordelijkheid van hen, aan wie dit ambt is vertrouwd.

Ys. 45—46. De schildering van den ontrouwen apostel: „Maar indien die dienstknecht in zijn hart zegt: Mijn heer vertoeft te komen, en zou beginnen, de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten, en te drinken, en dronken te worden, 46. dan zal de heer van dien dienstknecht komen op den dag, waarop hij het niet verwacht, en in de ure, die hij niet weet; en hij zal hem aan stukken snijden, en zal hem zijn deel geven met de ontrouwen".

Deze twee verzen bevatten de beschrijving van den gewetenbozen huishouder, die, zich niet bekommerende over de voorwaarde der getrouwheid, de onafgebrokene verwachting van de wederkomst van den heer, zich zonder gewetensbezwaar aan zijn egoïstische en eigenmachtige neigingen overgeeft. Het voorwendsel, dat hij gebruikt, om den terugkeer van zijn heer te loochenen, is de lange tijd, die verloopen is sedert de belofte gegeven werd (2 Petr. 3:3—4). Slaan, eten, drinken zijn natuurlijk beelden, zooals in de andere schildering de geregelde en nauwgezette uitdeeling van het

Sluiten