Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. Ys. 25—27. De waarschuwing: „En vele scharen gingen met Hem; en zich omkeerende, zeide Hij tot haar: 26. Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn discipel niet zijn. 27. En ') wie zijn kruis niet draagt, en mij volgt, kan mijn discipel niet zijn."

Toen Jezus de scharen zag, begreep Hij, dat er een misverstand plaats had. Het Evangelie kan, recht verstaan, niet de zaak der groote menigte zijn. Hij neemt het woord, om dezen valschen toestand in het licht testellen: „Gij gaat met mij op naar Jeruzalem, alsof gij naar een feest gingt. Maar weet gij wel, wat het inheeft, u bij mijn gevolg aan te sluiten? Het beteekent afstand te doen van al wat u het dierbaarst is, zelfs van uw eigen leven (vs. 26), en aan te nemen het smartelijkste, dat er is, het kruis (vs. 27)." — Tot mij komen (vs. 26) geeft de uitwendige aansluiting aan Jezus te kennen, terwijl mijn discipel zijn (aan het einde van het vers) de wezenlijke gehechtheid aan zijn persoon en zijn geest aanduidt. Zal het uitwendig volgen van Hem een werkelijke eenheid met Hem, en de band tusschen den belijder en Hem een innerlijke en duurzame band worden, dan moet bij den eerstgenoemde een breken met al wat hem van nature dierbaar is plaats vinden. Men geeft menigmaal aan het woord haten op deze plaats de beteekenis van: minder liefhebben. Bleek haalt voorbeelden aan, die niet zonder bewijskracht zijn, zooals Gen. 29 : 30 en 31. Dit ligt ook in de omschrijving van Mattheus (10:27): b cpaüv.... Mp if*ê. Toch is het eenvoudiger, de natuurlijke beteekenis van het woord haten te behouden, als zij een aannemelijke

1) K BL laten weg, dat T. E met A enl2Mjj.It. Syr. ea Syrcur leest.

Sluiten