Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feit, dat Lukas op het oog heeft, begint in de werkelijkheid eerst in vs. 3, met het tJvev Si, en Hij zeide: „Op zekeren dag, toen de stand van zaken weêr zoo was als in vs. 1 en 2 beschreven is, sprak Hij aldus." Het ttxvts: verklaart zich uit hetgeen vroeger is opgemerkt. Zoodra Jezus aan een plaats kwam, waar zijn komst vooraf aangekondigd was, stroomden de tollenaren en de slechte menschen, die daar waren, naar Hem toe; want zij vonden bij Hem hetgeen zij tot hiertoe nog nooit aangetroffen en zelfs niet vermoed hadden: een heiligheid, die vrij was van Pharizeeschen hoogmoed en met hartelijke liefde gepaard ging. — De xnxpTatol, zondaars, waren de slechte menschen, die, evenals de tollenaren, met het theocratische decorum gebroken hadden. H.t waren diegenen in Israël, die builen de wet stonden. Maar waren zij daarom voor goed verloren ? Zeker zou de normale weg om met God in gemeenschap te treden de getrouwheid aan het verbond zijn geweest; maar de komst des Verlossers opende een anderen voor hen, die door hunne eigen schuld den eersten voor zichzelf hadden afgesloten. En het was juist dit, dat de ijveraars voor de Levitische inzettingen ergerde. In plaats van Jezus te erkennen voor dengene, die de barmhartige gedachten van God had begrepen, wilden zij liever de medelijdende wijze, waarop Hij met de zondaren omging, aan een geheim welgevallen in de zonde toeschrijven. — Om Hem te hooren, en niet maar, om zijn wonderen te zien. Het was een drang van geestelijken aard, zooals Jezus zelden elders gevonden had. Daarom verschafte het Hem ook zulk een groote vreugde, zich aan hen te wijden en de schatten der goddelijke genade voor hen te ontsluiten. Dit ligt in het irpotrSéxsotlxi, ontvangen, van vs. 2. Het auveatiev, eten met, moet letterlijk worden opgevat; vgl. het gastmaal, dat de tollenaar Levi Hem bereidde (5: 29). Deze daad was bij de toenmalige zeden van meer beteekenis, dan tegenwoordig. Door aldus te handelen, trotseerde Jezus al de Israëlitische begrippen van zedelijke welvoegelijkheid. — De volgende gelijkenissen moeten dienen, om deze manier van doen te rechtvaardigen.

Godet, Lukas. II. 15

Sluiten