Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een hoogere orde worden gesteld. Want hij heeft, door zijn ontrouw in het gebruik van de goederen van minder waarde, die hem toevertrouwd waren, getoond, dat hij onbekwaam is om op nuttige wijze uitnemeuder goederen te beheeren, door ze te doen strekken tot de volbrenging van den wil van God en tot het welzijn van de broederen. — Aangaande de uitdrukking «3ixo; px/itivo;, zie men bij vs. 9. — De tegenstelling met to xxyqivsv heeft vele uitleggers verleid, hier aan xIiko; de geheel ongewone beteekenis van bedriegelijk of vergankelijk te geven, hetgeen zoowel willekeurig als onnoodig is; willekeurig, omdat men voor deze beteekenis geen afdoend voorbeeld kan bijbrengen, en onnoodig, omdat de tegenstelling met atySivóv zich ook zonder dat laat rechtvaardigen. Deze uitdrukking geeft namelijk het goed te kennen, dat aan het begrip „goed" volkomen beantwoordt, het wezenlijke goed, dat onveranderlijk is en blijft wat het is, terwijl de rijkdom van karakter kan veranderen, iets kwaads kan worden, zooals wanneer de mensch hem voor zijn eigendom aanziet. Dit wezenlijke, onveranderlijke goed is God-zelf en de hemelsche goederen, die Hij voor de menschelijke ziel bereidt. Dit hoogste goed nu kan niet worden gegeven aan hem, die zich niet getrouw heeft betoond iu de besteding van de aardsche goederen. De tegenstelling tusschen het praeteritum syév«róe, gij zijl geweest, en ie(srfifaf, zal toevertrouwen, doet geheel natuurlijk aan die tusschen het tegenwoordige en het toekomende leven denken. Dit vloeit ook voort uit de betrekking tusschen deze woorden en die van vs. 9. Jezus wil niet zeggen, dat de rijkdom der geestelijke gaven, welke hier beneden aan een geloovige worden geschonken, geëvenredigd is aan het goed gebruik, dat hij van zijn geld maakt; Hij denkt veeleer aan het verband tusschen dit gebruik en den rijkdom der goddelijke gaven in de toekomende bedeeling; vgl. de gelijkenis van de talenten en die van de ponden (Matth. 25 en Luk. 19).

Vs. 12. Jezus zet hier dezelfde toepassing voort, en rechtvaardigt haar door een nieuwe tegenstelling: die tusschen hetgeen eens anderen en hetgeen het uwe is. Evenals

Sluiten