Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zijn trawanten, maar in de werkelijkheid antwoordt hij er toch op met den grondregel van vs. 26.

Vs. 26. Er is een wet, krachtens welke de vruchten van den verledenen arbeid de intensiteit van den toekomstigen doen toenemen. Want elke genade, die men zich door werkzaamheid toegeëigend en tot een middel van werkzaamheid gemaakt heeft, vermeerdert onze ontvankelijkheid voor hoogere genadegaven, terwijl iedere ontvangene, maar niet gebruikte genade teruggenomen wordt, hetgeen ten gevolge heeft, dat het vermogen om nieuwe gaven te ontvangen vermindert. Uit deze wet van het zedelijk leven vloeit voort, dat langzamerhand al de genadegaven zich in de trouwe arbeiders moeten concentreeren, terwijl zij aan de nalatige dienaren moeten ontnomen worden. In 8 : 18 zeide Jezus: hetgeen hij meent te hebben; hier zegt Hij: hetgeen hij heeft. Beide uitdrukkingen zijn waar. Wij hebben een genade, die ons geschonken is; maar als wij haar niet door werkzaamheid in ons opnemen en ons toeëigenen, dan bezitten wij haar niet in waarheid, wij meenen dan slechts, haar te hebben.

Vs. 27. Het oordeel, dat over de vijanden komt: „Wat mijne vijanden betreft, die1) menschen, die niet hebben gewild, dat ik over hen zou regeeren, brengt hen hier en doodt hen 2) in mijn tegenwoordigheid."

Het toutovs der Alexandr., dat ongetwijfeld de juiste lezing is, duidt de vijanden aan als aanwezig in de gedachte van hem, die spreekt, en van hen, die hooren (Weiss). — De uitdrukking kxtxgQx&iv, ombrengen, vereenigt in zich de

1) T. R. leest msivovt, met A D en 12 Mjj. It. Syr. en Syrcur; «B en 4 Mjj . I TOVTOVQ.

2) N B en 3 Mjj. Byr. en Syrcur lezen hier ctvrov;, dat T. R., met AD en 18 Mjj. Tt , weglaat.

Sluiten