Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebonden. Het was zonder twijfel de plaats, waar het voetpad , dat naar het huis der eigenaars van het veulen voerde, zich van den grooten weg afscheidde.

Vs. 32—36. En de gezondeneü, heengegaan zijnde, vonden het, zooals Hg hun gezegd had. 33. En toen zij het veulen ontbonden, zeiden de heeren daarvan tot hon: Waarom ontbindt gij dit veulen? 34. En zij zeiden: Omdat *) de Heer het noodig heeft. 35. En zij brachten het tot Jezus; en hunne kleederen op het veulen gelegd hebbende, deden zij Jezus daarop zitten. 36. En terwijl Hij voorwaarts ging, spreidden zij hunne kleederen uit op den weg."

De discipelen begrijpen de bedoeling van hun Meester, en handelen in overeenstemming met zijn gevoel; zij bewijzen Hem hulde. Door deze kleederen ('tx ï/t&Tix, de bovenkleederen), die zij aan zijn gebruik wijden, willen zij de toewijding van hun persoon en van al wat zij bezitten uitdrukken; zij hadden zich gemakkelijk een dekkleed kunnen verschaffen. — Lukas en Markus, die voor Grieksche lezers schrijven, herinneren hier niet, evenals Mattheus, aan de profetie van Zacharia. Ook afgezien van de vervulde profetie, zeide Jezus door dit tooneel als met luide stem: „Ik ben een koning", maar tevens voegde Hij, door het gebruik van dit onaanzienlijke rijdier, erbij: „Mijn koninkrijk is niet van deze wereld".

Ys. 37. De intocht: „En toen Hij reeds nabij was, aan de helling van den olijfberg, begon de geheele

1) N A B en 5 Mjj. Syr. lezen hier oti, dat T. R. en 11 Mjj. weglaat.

Sluiten