Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Evangelie van Johannes in verzen het kruis geeft, verklaren zou, öf naast elkander, zoodat er in het geheel vier spijkers noodig waren, gelijk men uit Plautus*) zou kunnen opmaken, indien men niet, hetgeen ook mogelijk was, een nagel in den vorm van een hoefijzer en met twee punten voor de voeten gebruikte. Drukten de voetzolen tegen het hout door een sterke buiging van de knieën, of raakten de beenen in hun volle lengte het kruis aan, zoodat de voeten de natuurlijke houding behieldenP Waarschijnlijk hingen deze bijzonderheden van de willekeur van den scherprechter af. — De gekruisigden leefden gewoonlijk nog 12 uren, nu en dan zelfs tot op den tweeden en derden dag. De koorts, die spoedig ontstond, veroorzaakte een brandenden dorst. De toenemende ontsteking van de wonden aan rug, handen en voeten, de opstijging van het bloed naar het hoofd, de longen en het hart, de zwelling van alle aderen, een onbeschrijfelijke benauwdheid, verschrikkelijke hoofdpijnen, het verstijven van de leden door de gedwongene, onnatuurlijke houding van het lichaam: alles vereenigde zich, om deze doodstraf, volgens de uitdrukking van Cicero (in Verr., V, 64), crudelissimum teterrimumque supplicium te doen zijn.

Van het begin af had Jezus voorzien, dat dit het einde van zijn leven zou zijn. Hij had het aan Nicodemus (Job. 3: 14), aan de Joden (12: 23), en meermalen aan zijn discipelen bekend gemaakt. Het was dit vooruitzicht, dat Hem in Gethsemané zulk een doodsangst veroorzaakte. Geen enkele manier van sterven was meer geschikt, om zulk een levendigen indruk op de verbeelding te maken. Maar juist om deze reden was geen andere ook zoo geschikt, om het doel te verwezenlijken, dat God zich met den dood van Christus voorstelde. Hij moest, zooals Paulus zegt (Rom. 3 : 25, 26), der zondige wereld een volkomene voorstelling (hfotfa) geven van het recht der goddelijke gerechtigheid tegenover de zondaren. Door haar verschrikkelijkheid beantwoordt deze manier van sterven aan de afschuwelijkheid

1) Mo steil., II, 1, 13.

Sluiten