Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bevel van vs. 49: „Blijft in de stad, totdat . . ." werd eerst bij het gesprek, dat onmiddellijk aan de hemelvaart voorafging (blz. 717—718), gegeven, en biedt dus geen enkele moeilijkheid meer aan. Dit blijkt ook uit de volkomene overeenkomst tusschen vs 48 en 49 van onze plaats en de woorden van Hand. 1 : 4—8: „En hen verzameld hebbende (op het oogenblik, dat aan de hemelvaart voorafging), beval Hij hun, zich niet uit Jeruzalem te verwijderen, maar daar de belofte des Vaders af te wachten." Dit is wel hetzelfde verbod als in het Evangelie te vinden is. Jezus kan niet bevolen hebben, dat de apostelen gedurende den geheelen tijd tusschen de opstanding en de hemelvaart in Jeruzalem moesten blijven; zij konden daar nog niets doen. Hetgeen Hij wilde, was, dat zij hunne zendingstaak niet zouden aanvangen, voordat zij waren toegerust met den H. Geest, die alleen hen tot de vervulling daarvan bekwaam kon maken.

Er blijft nu nog de moeilijkheid over, dat de Galileesche verschijningen in het bericht van Lukas ontbreken. Wij zullen deze kwestie behandelen in het volgende aanhangsel over de opstanding.

OVEB DE OPSTANDING VAN JEZUS.

Wij hebben hier vier punten te onderzoeken: 1° de betrekking tusschen den inhoud der vier Evangelische berichten en de opsomming van de verschijningen, welke Paulus in den eersten brief aan de Corinthiërs geeft (1 Cor. 15: 5—7); 2° de werkelijkheid van het feit; 3° den aard van het lichaam van den opgestanen Jezus; 4° den oorsprong van en de betrekking tusschen de vier verhaalvormen, die onze Evangeliën ons aanbieden.

Opgestane na zijn eerste verschijningen op den dag der opstanding verstaan heeft. Het woord van Joh. 20: 17: „Ik ben nog niet opgevaren . maar ik raar op. . ." kon gemakkelijk aanleiding geven, ora zich uit te drukken zooals de auteur van dat geschrift doet.

Sluiten