Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd werden, tegenwoordig zijn geweest. Misschien wil Paulus veeleer te kennen geven, dat de elven ditmaal voltallig waren, hetgeen een toespeling zou zijn op de afwezigheid vau Thomas bij de vorige verschijning (vs. 5). — Deze verschijning, waarvan Paulus in vs. 7 spreekt, en waarop die, welke hem zelf te beurt is gevallen (vs. 8), gevolgd is, kan geen andere zijn, dan die van den dag der hemelvaart, welke in Hand. 1: 1 —12 in bijzonderheden beschreven wordt, en onderstelt, zooals wij gezien hebben, dat Luk. 24:50 betrekking heeft op een nieuwe verschijning, welk verschillend is van die op den avond vau den opstandingsdag.

Er bestaat dus geen enkel bezwaar tegen, de vijf door Paulus vermelde verschijningen met de reeks van die, welke onze Evangeliën verhalen, in verband te brengen. Hij laat alleen die weg, welk geen apostelen betroffen (Maria Magdalena en de twee Emmaüsgangers), en die, welke hij niet met juistheid of in het geheel niet kende (Thomas, aan het meer Gennesareth), en hij voegt er bij die aan Jakobus, een apostolische persoonlijkheid, waarvan hij door persoonlijke mededeeling kennis gekregen had, en die dus de negende wordt.

Gess (Christi Zeugniss, I, bl. 193—194) heeft doen opmerken, hoe natuurlijk de innerlijke opklimming is, die in de mededeelingen van den opgestanen Jezus aan zijn discipelen bij deze negen ontmoetingen is waar te nemen. Bij de drie eerste (Maria, de twee Emmaüsgangers, Petrus) heeft Hij met verslagene en moedelooze harten te doen; Hij troost en beurt op. Van Maria en de Emmaüsgangers weten wij het; van Petrus mogen wij het onderstellen. Bij de vier volgende heeft Hij zijn toekomstige getuigen voor zich (de elveii, Thomas, de zeven in Galilea, Jakobus), en legt Hij in hen den grondslag van het onwankelbaar geloof aan het feit der opstanding; want dit geloof is de ziel van het werk, dat Hij hun opgedragen heeft. Daarna herstelt Hij het apostolaat, door het zijn hoofd terug te geven. Men kan zelfs zeggen, dat Hij, met het oog op de toekomstige zending onder Israël, het apostolaat aanvult, door Jakobus tot zijn dis-

Sluiten