Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zaak is, dat dit ledige graf, „waarop de kerk gegrond is", enkel te verklaren is door het vrije uitgaan van Hem; die daarin gelegen had.

III. De aard van het lichaam van den opgestanen Jezus.

Er bestaan tegenwoordig over dit punt twee gevoelens, die lijnrecht tegenover elkander staan, en waarvan het eene door Reuss, en het andere door Weiss wordt vertegenwoordigd.

Volgens het eene zou het opgestane lichaam van Jezus niets anders zijn, dan zijn aardsch lichaam, met nieuw leven bezield, zoodat deze opstanding ongeveer van denzelfden aard zou zijn als die van het dochtertje van Jaïrus of van Lazarus. Doch niet alleen zou deze zienswijze ertoe leiden, te moeten aannemen, dat Jezus voor de tweede maal gestorven is, hetgeen de bovengenoemde (bl. 727) gevolgen met zich mede zou brengen, maar ook is zij onvereenigbaar met de wijze, waarop Jezus na zijn opstanding aan de zijnen verscheen en plotseling weder verdween, en eveneens met de algeheele verandering, die zijn persoon moet hebben ondergaan, zooals wij kunnen opmaken uit het feit, dat de zijnen Hem met moeite herkennen. Jezus is door de opstanding zeker tot een bestaansvorm overgegaan, die hooger is dan de aardsche. Dit onderstelt ook de uitdrukking, die Hij-zelf gebruikt, als Hij tot zijn discipelen spreekt: „Toen ik nog met u was" (Luk. 24:44). Zijn lichaam is voortaan aan geheel nieuwe voorwaarden van bestaan onderworpen.

Kan men aan den anderen kant met Weiss e. a. aannemen, dat Jezus door de opstanding ten volle zijn toestand van heerlijkheid is ingetreden, en dat Hij bekleed is geworden met verheerlijkt, geestelijk lichaam, dat Hij nu in den hemel bezitP Ook deze opvatting schijnt ons toe, de feiten tegen zich te hebben. Om te kunnen verklaren hoe Jezus, met dit hemelsch lichaam bekleed, voor de oogen der apostelen heeft kunnen eten, en Thomas kon uitnoodigen, Hem met zijn hand aan te raken. (Weiss neemt de echtheid van liet

Sluiten