Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in 't half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.

De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van 't bevroren sneeuwveld-in-dooi.

De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van 't struikgewas alsof hij met zijn oude, slymige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar 't struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.

De anderen keken ook naar 't struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.... vragend of dat geen

Sluiten