Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te

weten sterker was dan te leven En toen zijt di, niet

achtend op 't eigen gevaar over den vuurpoel heen naar

mi toegesprongen om mi te redden Du hebt de gouden

lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten ... en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van 't boschje, die daar afgebrand zijn ...."

Zij wees naar 't boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.

„Het is vreemd mijn geliefde," zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt... En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens...."

„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee... kent di het?"

„Neen ... vertel het mi...!"

„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.

„Maagd," zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen."

„Ik zal di helpen," zeide de fee. „Hier in 't bosch is

Sluiten