Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beten hem in 't liGhaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in 't wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op 't hoofd zoodat bij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat 's voor di, zwarte kobold 1"

Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven keerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit

van lachen en een derde lachte en een vierde en

opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.

De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in 't woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.

Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom en legde zich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.

Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de scheme-

Sluiten