Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Trek eens hard aan het touw," riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te gjoot, dan dat de makkers op 't ijs den ruk voelen konden.

„Mannen," zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder, 't Is een weduwvrouw "

Hij hief zijn armen op en zonk weg in 't koude water.

Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.

„Volhouden!" beval hij.

Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.

Reri legde zich op de rug en haalde 't hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.

„Hindar, zwem vooruit."

„Ik ben öp!" zei Hindar.

Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door 't signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel in de palmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.

De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.

Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op 't dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij 't roer den dooden wacht vond en daarna bij 't luik, de gebroken Batouwsche saks.

Sluiten