Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:

„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?"

De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloek besliut. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:

„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven 1"

Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:

„Pas op, liefste. Hier is 't hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!"

Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen,

„Meester, zal ik hem er uit toeten?"

„Blaas mijn jongen!" zei Sogol.

Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.

Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.

„Hoort di het, Haun?"

„Ja, meester."

„Wie denkt di, dat daar blaast?"

„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt."

Sluiten