Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan ?"

Haun stond bij den doovenden brandstapel.

„Niets gebeurd ?" vroeg Sogol.

„Ja heer.... de twee vreemde wijven zwerven hier weer

rond Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij

zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg "

„Zij zullen hun kabouter zoeken!" lachte Sogol, 't verschrikte gelaat van den jongen ziende.

Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.

„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!" zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.

Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.

„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde.

Ziet eens in zoo'n vaas gaat de asch van tien van

ons.... En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan

een dier? Weten wij iets meer? Wij wandelen

in raadselen .. als wij ten minste in raadselen wandelen .. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.... Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.... Leegheid is er rondom

ons.... een afgrond zonder bodem een diepte waarin

wij verzinken om nooit weer te keeren.... noch hier noch

elders.... Daar, in dit vaasje ligt een mensch een

mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft Had zijn

duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in 't zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn

en niet hij En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan

en bij mijn urn een lijkrede houden.... Hebben de goden de hand in 'smenschen lot, Harimona?"

Sluiten