Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het

brieschen en het graven Ja het gat moest dieper

worden want hij hoorde den woelenden hoef steeds,

steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij Nu kon hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was 't doodstil. Nogmaals

floot Sogol.... toen hoorde hij een klagelijk gehinnik

Ja dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.... Nogmaals

floot hij twee, driemaal achtereen De hoef begon

weder te woelen.... En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij

zijn oogen wennen aan dat licht en tot zijn ontzetting

zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.

Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog

grooter en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het

was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.

O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.

Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.

„Kom dan Hadoe.... kom dan zoet beest.... zoek

Sluiten