Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden ?"

„De eer is groot, heer."

dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar 't avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar 't morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wy de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeft getoont hoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Marsromans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie de voelhoorns van ons instinct — en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun »Mars-romans", ontnuchterd heeft, maar niet geheel tot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.

En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het UlyssesColumbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, daar gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?

Na eenige eeuwen zou dan op zoo'n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige, afkomst den etnologen veel te denken zou geven.

Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen en men bedenke, dat

Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van 't Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.

Wjj zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs m de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.

Sluiten