Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten." „Heer, du bent te goed voor mi..."

„Drink met mi, op het heil van koning Hall&nder. Wotan were!"

Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem. „Nu een lied, een Norigeensch lied!" riep Sogol.

Rytzell stond op en begon te zingen:

Een zeeman ging het zeegat uit,

Al om ver weg te varen,

En achter liet hij toen zyn bruid,

Een meid met blonde haren.

Zijn liefje wachtte aan de heg,

Alwaar de koetjes grazen.

De skiggen voeren heel ver weg,

De winden bleven blazen.

Toen 's nachts de bruigom wachtstond had,

Zwom voor hem op de baren,

Een meeremin in 't pekelbad,

Met lange, blonde haren.

De meermin sprak toen: „Schippersmaat,

Ik kom di niet vervelen,

De morgen rijst, het wordt al laat,

Laat ons een beetje spelen.

De zeeman zei: Dou valsche kol,

lk ga met di niet mede,

Speel di alleen dijn rolde bol,

Mijn bruid wacht op de reede.

De meermin sprak: Dou domme maat,

Dyn meid vrijt met een ander,

Waarvan ze zieh braaf kussen laat,

B\j Wotan, 't is een schande.

Sluiten