Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handje in hand-tje, enz. zouden scheiden. (Vergelijk Oefening 70 voor 'tbord, opmerking 1.)

Versje voor onderwijzers, die niet teekenen:

N ol en N el zijn n eef en n icht.

Zeg dat, maar knijp 't n eusje dicht

N _een, n u n oemt ge n _ooit hun n aam [

Knijp dus n iet je n eusje saam.

5.

ê

De ee stand.

Ofschoon de ee in het spreken niet afzonderlijk voorkomt, geven we, voor wie er gebruik van willen maken, een behandeling van den ee-stand in dit gedeelte der methode. — Bij de ontbinding van 't woordje één hebben we echter rekening gehouden met deze afwijking, zoodat men de volgende behandeling naar believen ook kan overslaan.

Een vertelling vol raadseltjes.

Opgepast! Het is van zusje Kee. Zusje Kee? Wie is dat dan? Weet ge't niet? Luistert dan. Er waren eens twee kindertjes en die heetten Kees en Kee. Het broertje was Kees en wie was nu Kee? Zie, dat was nu zusje Kee. 't Was een klein meisje met mooie, blauwe oogjes en roode, bolle wangetjes. Kees hield veel van zijn zusje. En dan waren er nog twee, die heel veel van Kee hielden en ook van Kees. Wie zouden dat toch wel geweest zijn, jongens? Ha, ha! dat is zoo moeilijk niet te raden,

he? Dat waren v ! Juist: vader en moeder. Zij hielden

zooveel van Kees en Kee, dat vader naar de markt ging en

voor de kinderen kocht ja, raadt eens? Neen, niet

aan de kraam, maar op de markt, waar een touw aan palen

gespannen is ... . Een koe ? Neen Een paardje ? Ook

niet Een schaapje? Nog niet geraden. Zal ik 't eens zeggen?

Kijkt mij dan eens goed naar den mond, dan zal ik er u wat

van voorzeggen.- Een é Een eend ? O, he, neen! een

eend bij de koeien? Nog eens dan, een e z .... Bravo!

4*

Sluiten