Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierin weder substitueerende : Q = 1000; Q = 100; r = 30, r1 = 1; R 100, p 3 en sin Q 0.08, krijgt men:

p _ 1000 X 31 ± 1100 X 3 X 0.08 _ 31000 ± 264 100 ± 3 X 0.08 - 100 ±0.24

Als de kracht P verticaal naar boven werkt, moet zij dus kleiner zijn

da" 100 94 ~ 3,189 K G- en grooter zijn dan — 308.10 K.G. om

met den last Q 1000 K.G. evenwicht te maken.

Uit het resultaat der berekening van de grenswaarden der kracht P, welke met den last Q evenwicht maakt in de twee bijzondere gevallen, welke wij hierboven, wat betreft de richting der kracht P ten opzichte van de verticaal hebben beschouwd, volgt reeds dat voor het opheffen van den last Q met eenparige snelheid, de voor dat opheffen vereischte kracht niet standvastig zijn kan. Dit laatste kan ons ook blijken door de volgende beschouwing.

Wanneer de last met eene eenparige snelheid opgeheven wordt, moet de algebraïsche som der momenten

ten opzichte van de hartlijn van de windas, van alle krachten, welke op het toestel werken, gelijk nul zijn. Noemen wij de hoek, welken de straal van het rad, aan welks uiteinde de kracht P werkt (fig. III), met den horizontalen lijn OA maakt, oc en brengen wij de krachten Q, G en P evenwijdig aan zich zelve naar een punt van de hartlijn van het windas over, dan is de grootte van de resultante dier aldus overgebrachte krachten T r(Q + G)J -(- P'J -f- (2 Q -f- G) Pcos oc welke resultante blijkbaar van de grootte van den hoek oc afhangt. Die resultante is gelijk in grootte en tegengesteld 'n richting aan de reactie, welke de pannen op de tappen uitoefenen en het moment dier reactie ten opzichte van de hartlijn van het toestel is T + p sin Q.

De krachten welke op het toestel werken zijn vier in getal t.w. le de last Q; 2<-' het gewicht van het windas O, 3L' de kracht P en 4<-' de reactie T van de pannen op de tappen. Het moment ten opzichte van de hartlijn van het windas van de kracht P is + P X R. van den last Q: - Q X (r 4" f1) van het gewicht G nul, terwijl het moment van de reactie T gelijk — T X P sin Q, dus evenals T van de grootte van oc afhankelijk is. Hieruit volgt, dat ware P constant, de algebraïsche som van alle vier op het toestel aangrijpende krachten:

P X R — Q (r + r') — T p sin Q. niet voor elke waarde van oc gelijk nul kan zijn en omgekeerd, dat bij het opheffen van den last Q met eenparige snelheid de kracht I5 geene constante waarde hebben kan.

Werktuigkunde.

6

Sluiten