Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HZ. V. en Bt.

1889. No. 2.

Uit het hoogste punt van een hellend vlak, waarvan de hellingshoek 45" is, wordt in horizontale richting in een verticaal vlak, dat loodrecht op het hellend vlak staat, een stoffelijk punt voortgeworpen met een aanvangssnelheid van 10 M. per sec. Het punt en het vlak worden als volkomen veerkrachtig bij botsing aangemerkt. Als de tweede botsing van het punt op het vlak plaats heeft in het laagste punt van het vlak, vraagt men, hoe lang het vlak is. Men stelle g gelijk 10 M. per sec.

Uit het hoogste punt A (zie figuur) van het hellend vlak AC, dat een hoek van 45° maakt met het horizontale vlak CD, wordt in horizontale richting ih een vlak dat loodrecht op het hellend vlak AC staat, een stoffelijk pnnt voortgeworpen met eene aanvangssnelheid v = 10 M. per seconde. Dit stoffelijk punt doorloopt een paraboolboog AB en treft het hellend vlak in het punt B. Stel den tijd, welken het stoffelijk punt noodig heeft om den boog AB te doorloopen gelijk t seconden. Daar ACD = 45° is, is AE = EB en heeft het stoffelijk punt dus in verticale richting denzelfden afstand afgelegd als in horizontale richting, zoodat

' gt2 = vt of t = 2V is.

g

Daar gegeven is dat v = 10 M. per secunde en g = 10 M. per secunde is, is dus t = 2 per secunde.

Bij aankomst in het punt B is de horizontale composante van de snelheid van het stoffelijk punt dezelfde als zijne horizontale gerichte aanvangssnelheid in A, d. w. z. v = 10 M. per secunde, terwijl haar verticale composante is v, = gt = 10 X 2 = 20 Meter per secunde.

In B heeft eene scheeve, volkomen veerkrachtige botsing plaats

Sluiten