Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu is Vt = 2, g = 10 en r = 1.6; dus hebben wij: cos oc =

3 3~X 10 X 1-6 = 3 + 12 = 4 zoodat BL) = (> — cos oc) r - ( 1 —

]) x 16 = 0.4 Meter.

Het materieele punt verlaat dus den cirkelomtrek 0.4 M. beneden het punt B.

H.V. en Wr.

1895. No. 2.

Een rechte cirkelcylinder (straal van het grondvlak = 12 cM., hoogte = 32 cM.) is met zijn grondvlak op een ruw hellend vlak geplaatst; aan het bovenvlak van den cvlinder is een halve bol van dezelfde stof bevestigd, zoodat de middelpunten van het bovenvlak van den cylinder en van den halven bol samenvallen, (de straal van den halven bol is 12 c.M.) Het aldus samengestelde lichaam is op het punt èn van om te vallen èn van naar beneden te glijden.

Men vraagt den hellingshoek van het vlak en den wrijvingscoëfficient tusschen het hellend vlak en den cylinder te bepalen.

Dit vraagstuk vertoont een groote overeenkomst met dat van 1879 No. 1, zoodat wij met de behandeling ervan beknopt kunnen zijn. Stel de straal van het grondvlak van den cylinder = r en de hoogte van den cylinder = h. Daar de afstand van het zwaartepunt van een halven bol

Sluiten