Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze kracht P,1 is zoo klein mogelijk, als B — w is, in welk geval P,1 = O

sin (40° — h>). Door Pl = 1 } P,' te

stellen, komen wij weer tot de voorwaarde sin (40° + w) — 1.5 sin (40° — w) of tot iv = 9°31' 35",4

Zoowel het antwoord op het eerste als op het tweede gedeelte van het vraagstuk blijft dus hetzelfde of wij onder de in het vraagstuk genoemde kleinste krarhten verstaan de krachten Pi en P,welke absoluut de kleinste

zijn, dan wel de kleinste krachten P en IV wier richtingen evenwijdig aan

Pl f> 1

het hellend vlak zijn. Men ziet echter dat aangezien = 1 = cos w —

■ Pi

cos 9°31' 35",4 = 0.98622 = 1 - 0.01378 is, P' en P,> respectievelijk + l.4°/o kleiner zijn dan P en P,.

B. cn Bt.

1902. No. 3.

Een lichaam P van 20 K G. wordt uit een punt A, in het oppervlak der aarde gelegen, verticaal naar boven geworpen met eene aanvangssnelheid van 40 M. Twee seconden te voren had men uit een punt B, dat ligt in de verticaal, die door A gaat, op een afstand van 200 M. boven A, een lichaam Q van 10 K.G. vrij laten vallen, zoodat beide lichamen in rechte centrale botsing komen.

Als de lichamen als volkomen veerkrachtig worden beschouwd, vraagt men, na hoeveel lijd en met welke snelheden P en Q den grond bereiken ? De versnelling der zwaartekracht wordt gelijk 10 M. gesteld.

Noemen wij • het aantal seconden, welke verloopen vanaf het oogenblik, waarop het lichaam P uit het punt A, dat in het oppervlak der aarde gelegen is (zie figuur) wordt opgeworpen met eene aanvangssnelheid v„ = 40 M. per sec tot aan het oogenblik, waarop in het punt C de botsing plaats heeft van P niet het lichaam Q, dat men uit het punt B (gelegen in de verticaal, die door A gaat, op een afstand van 200 M. boven A) vrij heeft laten vallen, twee seconden vóór dat P werd opgeworpen.

De weg BC. dien het lichaam Q heeft doorloopen vanaf het oogenblik, waarop men het in B vrij heeft laten vallen tot het oogenblik der botsing

Sluiten