is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

De zomer was geweken en de winter stond voor de deur, het weleer groene tooisel der boomen was verbleekt, en het minste zuchtje van den wind rukte duizenden bladen van de verdorde takken.

De nachtwind werd kouder en scherper, en des morgens bedekte een dunne korst de oppervlakte des waters. De Batavier wikkelde zich dichter in zijn van dierenhuiden samengestelden mantel, en maakte reeds eenige toebereidselen om de onderaardsche woningen, waarvan wij in het begin van dit verhaal hebben melding gemaakt, te betrekken, toen er iets voorviel, hetwelk wij den Lezer volstrekt moeten mededeelen.

„Nauwelijks," zegt Wagenaar (1) was Juliaan gestorven en hadden de Overrijnsche Germanen, bij welke de naam der Romeinen, zoo lang Juliaan leefde, geducht was geweest, zijn dood vernomen, of zij herinnerden zich hetgeen zij voorheen van hem geleden hadden, of zij, alle vrees voor de Romeinsche overmacht verbannende, hernamen hun aangeboren kloekmoedigheid, verbonden zich onderling, en ondernamen, volgens hun gewoonte, over den Rijn te trekken, en de gewesten, die onder het gebied der Romeinen stonden, te overvallen. De aanleiding tot hun opstand was, dat hun gezanten bij de Romeinen onwaardiglijk ontvangen waren en veel geringer geschenken, dan naar gewoonte, gegeven hadden, hetgeen ten gevolge had, dat zij den staatsdienaar Ursacius de ontvangen geschenken voor de voeten

(1) Wagenaar, Vaderl. Historie, I Deel. III Boek, bladz. 257.