Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in tien muur gehouwen trappen op, en kwamen weldra op het plat van den toren. Van dit standpunt hadden zij een ruim uitzicht over de vlakte, die den toren omgaf, dezelve was geheel met Neder-Sassen bedekt, die even gerust, als bevonden zij zich in hun hutten, op het door de dauw bevochtigde gras lagen te slapen , en de eenige voorzorg, die zij genomen hadden , om de vlucht der belegerden te beletten, was, dat zij eenige lieden voor de poort geplaatst hadden om de ontvluchting uit den toren ondoenlijk te maken. Niet verre van de plaats, waar zich de Ridder en Engistus bevonden, was een tent opgeslagen, waarin zich de koniDg bevond; doch er vertoonde zich geen schildwacht voor dezelve.

„Engistus!" sprak de Ridder, terwijl hij zich op den muur nederzette, „ik heb de heilige gastvrijheid, die ik' in de woning des Konings vond, schandelijk geschonden door hem zijn dochter te ontvoeren, en de eenige verschooning is de teedere en oprechte liefde die ik voor haar koester."'

„Ja" sprak de schildknaap, „gij verbood mij Riska mede te voeren, en zelf vluchttet gij met Horsa. Hebt gij Riska wel goed gezien? o! zij had oogen..."

„Hierover nader," sprak de Ridder, „ik heb jegens Koning Ritsart misdreven, en wil niet, dat mijn volk om mijnent wil sneve, zie daar de tent des Konings , dezelve is onbewaakt. Hebt gij moed mij derwaarts te volgen?"

„O ja !" gaf Engistus ten antwoord, „maar hoe komen wij uit dezen toren, de poort is bewaakt."

//Wij znllen een touw aan dezen kant van den muur vastmaken, en ons langs hetzelve laten afglijden.