Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

morgen vertrekken onze gezanten naar Koning Dagobert om hem aan te kondigen, dat wij zijne regeering moede zijn en een vrij en onafhankelijk volk willen wezen.

„\ergezel gij ze, o Altane! en ook gij edele Sicco! zoo zal de trotsche Frank zien, dat ook de dappere Friezen zich met ons verbonden hebben, en hij zal, sidderende voor onze macht, onze afhankelijkheid erkennen."

„Gezantschap medegaansprak Sicco, „ik wil Altane ook wil, Altane niet wil, ik ook niet wil."

De Fries bleef eenige oogenblikken in diep gepeins verzonken, toen hief hij vastberaden het hoofd op, en zeide: „Uw aanzoek, Koning Berthold! vereert mij ten hoogste, en geloof mij, dat het mij grieft, u een weigerend antwoord te moeten geven."

„En om welke reden, Altane?" vroeg de Koning.

//Ik heb een zoon, hij is mijn eenigst kindsprak Thille's vader, //het gezantschap zal lang afwezig blijven en ik wil hem zoo lang niet zonder bescherming laten."

Een donkerrood verwde Thille's wangen toen hij zijn vader aldus hoorde spreken, en Sicco merkte aan: //Kind, grooter dan ik, achttien jaren kan goed alleen zijn."

„Maar als het u vergund wierde, uw zoon mede te nemen?" vroeg Koning Berthold.

„Pan," riep Altane, „zou ik niet aarzelen, mij bij het gezantschap te voegen."

„Welnu, neem hem dan met u, en geef uw woord, om morgen met mij van hier te vertrekken, teneinde u overmorgen inet de gezanten op reis te begeven."

„Ja," sprak de Fries, „ik ga met u."

Sluiten