Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sers en de beide Friezen toe, toen Eligius de trappen van den troon opvloog, en zich aan des Konings voeten werpende, riep: «Koning Dagobert! deze mannen zijn, vertrouwende op het recht der gastvrijheid, tof u gekomen, schend, bid ik u, om aller Heiligen wil! schend de heilige gastvrijheid niet."

,/Neen, ik wil, dat zij gestraft wordenriep Dagobert en weder wilde hij zijn bevel aan het krijgsvolk herhalen, toen de Bisschop van Meaux, die inmiddels den troon beklommen had, hem hierin verhinderde.

//Mijn zoon!" sprak hij, /, beteugel voor weinige oogenbhkken uw drift, schend de gastvrijheid nicti dezelve is heilig , door haar heeft Abraham Engelen geherbergd."

«Maar zij hebben mij gehoond; neen, voor hen is geen genade."

//Hoe dikwijls, mijn zoon!" sprak de Bisschop, vhebt gij God en de Heiligen gehoond door uw gedrag, en willen wij eenmaal vergeving voor onze zonden erlangen, zoo laat ons dan ook zachtmoedig zijn jegens hen, die tegen ons misdreven. — Kom, Koning Dagobert! wees niet strenger dan de goede God, en tracht Hem na te volgen, die stervende nog voor zijn vijanden bad."

«En wat heeft u, Friezen! bewogen, u met de Saksers te verbinden?" vroeg Dagobert, zich weder tot het gezantschap wendende.

Sicco trad voorwaarts om toch vooral in aanmerking te komen, en begon, zijn kleine gestalte zoo veel mogelijk uitrekkende:

«Uit visschen gaan, net stuk, Altaue nel te leen, kom bij Altane, Koning Berthold, Altane meegaan,