Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

En spreekt in 't midden van zijn knechten en zijn magen. Terwijl hij de oogen naar den hemel houdt geslagen: De Godheid zij gedankt, die ons na zoo veel leeds, En ommezwervens, na veel ongemaks en zweets, Een vruchtbre landstreek door haar goedheid wil vergunnen.

A. HUOG VLIET,

Ahraliam ie Aartsvader.

*

wJa, morgen vertrekken wij naar Friesland,' sprak llonifacius tot Rolla, „en tot in mijn binnenste verheug ik uiij, dat gij van begeerte brandt, om aldaar aan uw landgenooten, de zuivere en reine leer des Bijbels te verkondigen, ben te dwingen door overtuigeude redenen, het domme en ten verderve leidende Heidensche geloof te verlaten, en den waren God te eeren en te aanbidden.

z/Doch," vervolgde de grijsaard, „indien Gunebald, uw broeder, voor u verscheen, en zeide: leer ook mij uw God kennen, en doop mij, opdat ik deelachtig worde de voorrechten aan liet Christendom verbonden, zie, als hij zoo tot 11 sprak, Rolla! wat zoudt gij dan doen?

"Dan zoude ik hem leeren en doopen."

„En als hij dan, gedoopt zijnde, de armen opende en op u aansnelde, zoudt gij hem dan den broederkus weigeren?1'

Hier sloeg de jongeling zijn blikken neder, en een hoorbare stilte heerschtc in het vertrek, waar beiden gezeten waren. Eensklaps vloog Rolla op, „Ja!" riep hij, „ja! dan zou ik hem vergeven!"

//Kom dan, brave jongeling! reik mij de hand,"

Sluiten