Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die ik u opgedragen heb, bezig houden. Sedert vier weken werkt gij over het eerste Hoofdstuk des Zendbriefs van den Heiligen Apostel Paulus, en nog heb ik niet kunnen bespeuren, dat gij eenigzins gevorderd zijt.

„In der daad, broeder Pulrad! uw gedrag is zeer berispelijk; want zoo ik verneem, geeft gij u steeds meer en meer aan den wijn over, verzuimt daardoor uw bezigheden, en zorgt niet voor uw hemelsche belangen. En ik laat het aan uw eigen oordeel over, hoe zullen zij, tot wier bekeering wij hier gekomen zijn, met ijver onze prediking omhelzen en zich aau de geboden en voorschriften des Evangelies houden, wanneer wij zeiven hen hierin niet ten voorbeelde zijn?'" Deze woorden werden met hoogen ernst door Bonifacius gesproken tot zijn schrijver Fulrad, in wien het den Lezer niet moeielijk zal vallen een ouden kennis te herkennen. Fulrad was op dit oogenblik mede niet van dronkenschap vrij te pleiten; want gedurende de ernstige vermaning, die de grijze Bisschop hem gaf, zag hij dan eens naar de hoogte en dan weder lachend omlaag, terwijl zijn lichaam waggelde

„Ik zeg maar, hoogeerwaarde Vader!" stotterde hij, «ik zeg maar, als men op mijn jaren komt, dat dan het lichaam duchtig verzwakt, en dat alsdan een enkele teug wijns noodzakelijk is, om ons te versterken, zeg ik, en wat den Zendbrief van Paulus betreft, dien ik moet overschrijven, ik kan toch niet helpen, dat dezelve zoo onduidelijk geschreven is, zoodat ik mij halfblind

op elke letter tuur mijn arme oude oogen, zeg

ik," vervolgde hij schier weenende, „ik zeg maar, het licht zal spoedig uit dezelve geweken zijn."1

Sluiten