is toegevoegd aan uw favorieten.

Acht eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heb ik u beleedigd ? ziedaar mijn grafwaarts gebogen hoofd, dat hetzelve dan voor die beleediging boete. Vermoordt mij, indien u zulks behaagt, maar doet den mijnen geen leed

„Komt, laat ons tevreden zijn, wanneer hij en de zijnen onverwijld van hier vertrekken," riep er een; doch Gundebald antwoordde: „Neen, bet kwaad moet tot den wortel uitgerukt worden, wij hebben hun dood gezworen, Friezen 1 ik ontsla u niet van uw eed. Valt aan, voor Wodan en Friesland!"

Doch deze kreet vond geen weergalm, en nog steeds onbewegelijk stonden de Friezen daar. Het scheen of zij tegenover den grijzen Bisschop hun nietigheid en het schandelijke van hun daad gevoelden.

//Welnu, gij aarzelt," riep Gundebald, „dan zal ik u voorgaan," en zijn geduchte strijdbijl zwaaiende, ijlde hij op den grijsaard toe.

Doban snelde toe, om zich tussehen hem en den Bisschop te plaatsen; doch Bonifacius stiet hem zachtkens ter zijde. „Gij zijt wel goed, Doban! doch gij kunt mij niet beschermen , mijn leven is noch in uw hand, noch in de hand van dezen, op Gundebald wijzende, maar in die van Hem, die daar boven leeft."

Toen ontblootte hij zijn borst. '/Man!" riep hij den Fries toe, „indien gij dorst naar mijn bloed, naar het bloed van een afgeleefden grijsaard, zoo steek dan toe, en ik zal u uw moord vergeven!"

Gundebald stond met opgeheven bijl voorden grijsaard , zonder echter dezen te durven aanzien.

„Martel mij niet langer," smeekte Bonifacius, //zoo gij mij niet dooden wilt, zoo zeg het mij, anders sla toe!"

//Bij Wodan!" riep de Fries, „dat zal ik," en te