Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De graaf had zijn bezoeker slechts bij het binnentreden zeer terloops gadegeslagen, thans zag hij op en zijn blik gleed snel over Edward heen. Er was iets onderzoekends, bijna angstigs in dien blik, hij scheen iederen trek in het gelaat des jongelings te willen uitvorschen, en zijn toon had niets meer van de vroegere kalmte; als onzeker herhaalde hij: «Melville?"

Een gevoel van gekrenkten trots welde in Edward op. Bij de berichten, die hij van Viale had ontvangen, kon hij die onzekerheid alleen aan twijfel toeschrijven, of de persoon, die een zoo eenvoudigen naam droeg, wel in deze hoogadellijke woning mocht toeven,en met iets van misnoegen in zijn stem zeide hij: »het was uw zoon, heer graaf, die mij uitnoodigde hem hier te vergezellen."

Verstond deze de beteekenis dier opmerking niet? Hij sprak halfluid, als in zich zelf: »ja, zoo was die naam."

Verwonderd zag Edward hem aan. »Zoudt gij mij kennen ?" vroeg hij twijfelend.

»U? waarom denkt gij dat?" de vraag kwam bijna scherp van Viale's lippen, maar de bevreemding ziende waarmee zij werd opgenomen, ging hij bedaarder voort: »ik herinner mij dien naam uit mijne jeugd; mogelijk dat — noemde mijn Frank u niet Edward?"

»Ja, onder zulke oude vrienden is men niet stijf," schertste de knaap.

»Edward Melville, zoo heette iemand, dien ik vroeger gekend heb."

Een uitdrukking van blijde verrassing vloog over de trekken van den jongen man. Hij vergat koelheid en rang, en riep: gij kendet mijn pleegvader?"

«Heette uw pleegvader zoo, dan ken ik hem inderdaad, ofschoon het vele jaren geleden is dat ik hem ontmoette. En hij woont thans in Brussel?"

«Helaas neen, hij is reeds voor vele jaren gestorven."

De graaf maakte een gebaar van deelneming, zoo althans vatte Edward den zucht op, die ook uit verlichting kon voortkomen. «Hij was een edel man," zeide Viale na eenig zwijgen; »het doet mij leed, dat ik hem geen blijk van mijn gevoelens heb kunnen geven. Zijn dood moet voor u een groot verlies geweest zijn; waart gij tot aan zijn einde bij hem?"

»Ja, sinds mijn moeder weduwe werd, had hij de zorg voor mij op zich genomen; hij was de broeder van mijn vader, maar daar ik dezen nooit gekend heb, moest ik hém wel als zoodanig beschouwen."

Er kwam een kalmer uitdrukking in het oog van den graaf. Hij vervolgde: «bevindt gij u bij vrienden of bloedverwanten in Brussel?"

«Ik ben secretaris bij den baron van Vredenborg."

Sluiten