is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan; oen liupsclie borst, niet waar? alleen wat te ernstig, maar dat schijnen alle Protestanten over zich te hebben.

»Is hij een Protestant?" vroeg Edward verbaasd, »en ile landvoogdes ontvangt hem?"

»üat zou zij moeielijk kunnen late»; Oranje's vrouw en broeder zijn immers ook Protestant; in de minderen is dat wat anders, maar bij een edelman kraait er geen haan naar."

«Alsof niet alle ketters vijanden der regeering waren!"

»Oeh, laat u dien Paapschen onzin niet voorkallen; de Protestanten zijn zoo gehecht aan het bewind als een eed van trouw iemand maken kan; zij willen alleen vrijheid voor hun leer, en daar hebben zij gelijk in. Als men ons Katholieken eens dwingen wilde, wij zouden nog minder verdragen. Ik ben zelf Katholiek, — maar wat een leugen is, behoeft iemand daarom toch niet te gelooven. Dalvilliers is zoo goed als de beste, hij zal n altijd helpen waar gij iets noodig hebt, en hij is waarlijk alleen op zijn eigen vrouw verliefd. Aan Nivelde's vertellingen moet gij niet hechten; bij hem zijn alle ketters slecht, — dan heeft hij ze niet tot voorbeeld te nemen.'

Edward sprak De Burge niet tegen. Zooveel had hij reeds van de kerk leeren kennen, dat hij den jongen edelman geen ongelijk gaf; maar een gevoel van spijt welde in zijn hart op, terwijl hij dacht dat het de lippen van een Protestant waren die hem tot ijver voor dezelfde zaak hadden aangespoord, als wier vijanden hij de ketters altijd beschouwd had. Had Dalvilliers dat gevoel in zijn binnenste kunnen lezen, hij zou hem zeker gunstiger beoordeeld hebben, dan hij het thans naar Meerwoude's berichten deed.

Reinout was overigens niet zeer spraakzaam. Hij wandelde naast den Protestantschen edelman voort en beantwoordde met enkele opmerkingen diens gezegden, maar zijn ziel was niet bij het onderhoud. Hij dacht aan zijn besluit, aan al de gevolgen er van, en die vertrouwelijke mededeelingen over een zaak, waartoe hij nooit zon behooren, ja als wier tegenstander hij zich verklaard had, klonken hem vreemd, misschien zelfs pijnlijk, want hij brak ze plotseling at. Wat gingen hem de belangen der hervormden aan ? zoo nuttig het voor hem kon wezen hun geheimen tc vernemen, van deze lippen, die zoo openhartig spraken, kun hij geen berichten vorderen, die verderfelijk op het hoofd van den argloozen man, die ze deed, zouden neerkomen. Hij bracht het gesprek op Dalvillier's jonge vrouw, en luisterde zonder spottende aanmerkingen naar diens opgewonden beschrijving van zijn huwelijksvreugde. Het mochten illusies zijn, het waren sehoone illusies. «Ik huop dat ^ij uw gedachten lang bewaren zult," zeide hij met een zucht.