Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niets dat ik liever gelooven wil, maar, jonge man, gij zijt dan een blinde, waar ieder ander oog ziende zou zijn geworden, en ik kan u slechts antwoorden: maak u zelf den aard van uw toestand duidelijk. Zoo gij u onnadenkend aan den loop der omstandigheden hebt overgegeven, en verblind door den glans van een lot, welks prijs gij niet keridet, u zorgeloos in zijn armen wierpt, dan beklaag ik u onberekende handelwijze, want velen houden die voor zoo berekend, dat hun het gunstige oordeel, vroeger over u geveld, berouwt. Ik herhaal u," hij sprak op een toon die door Edwards zichtbare gemoedsbeweging verzacht werd, »dat het mij moeite kost iets zoo weinig loffelijks van u aan te nemen als waartoe de schijn mij leiden zou, maar ik kan als Protestant niet in nadere uiteenzetting met u treden. Al wat ik zeggen kan is: heb zelf een scherp oog voor de plichten, die uw positie u oplegt, en vraag 11 steeds of het, ook als Katholiek oordeelend, eervol voor u zijn kan ze te vervullen." Hij

groette op een wijze die verdere verklaringen afsneed, en vervolgde zijn weg.

Edward zag hem eenige oogenblikken roerloos na. «Misschien zijt gij zelfde bedrogene," prevelde hij. Wat beteekenden die woorden? waarvan verdacht men hem? De gunst van Viale op slinksche wijze te hebben gezocht? Hij was als diens gunsteling overal met welwillendheid opgenomen, — dat kon men hem niet tot een verwijt maken. Maar men noemde zijn positie veranderd, men sprak van nieuwe niet eervolle plichten. Een gevoel van angst, van onzekerheid over zich zelf, greep hem aan; was er een verborgen plan, dat hij niet begreep ? had Dalvilliers, die, naar hij zag, ongaarne tegen hem was, iets vernomen, hem nog onbekend? Met een door duizend bange vragen gepijnigd hart bereikte hij de woning van den graaf.

Deze ontving hem vriendelijk als altijd, en betuigde zijn tevredenheid met de wijze, waarop hij zijn opdracht bij Meerwoude had uitgevoerd, maar hij zeide toch iets, dat Edward onaangenaam stemde. »Ik heb u met den heer van Dalvilliers zien loopen," merkte hij aan, »ik hoop dat die ontmoeting toevallig was."

»Neen, ik kende hem reeds, en sprak hem aan."

»(jij zult mij genoegen doen, zoo gij dien omgang afbreekt." De droge toon dier kennisgeving hinderde Edward. »De heer van

Dalvilliers werd mij zeer geroemd," zeide hij, »en ik meen "

«Hij bezit voor een ketter zeker zijn deug»len. maar deze mogen ons nooit toegeeflijk voor zijn dwaalgeloof maken. Hij behoort tot een sekte, die wij, door de omstandigheden gedwongen, somtijds moeten dulden, doch waarbij wij nooit mogen vergeten, dat onze taak is ze uit te roeien."

Sluiten