Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Maar zoo het leven der ketters aan alle eischen der kerk beantwoordt, moeten wij dan, al belijden zij een andere leer, niet verdraagzamer zijn?"

Viale's gelaat werd plotseling streng en zijn stem scherp. »De maatstaf voor iederen mensch is zijn geloof; het toeval kan sommigen de verzoekingen bespaard hebben, waaraan anderen blootstonden, daarom mag men hen niet naar hun daden, maar moet hen naar hun denken beoordeelen."

Edward zweeg, ofschoon hem de vereeniging van het goede denken en de slechte daden zeer vreemd voorkwam. Hij had te veel verplichting aan den graaf, om de aanmerking, die in hem oprees, uit te spreken en zich over diens beslisten, bijna als bevel klinkenden wensch te beklagen, maar Viale's hardheid stuitte hem tegen de borst. Het was hem trouwens al meer in 't oog gevallen, dat de godsdienst in dit huis zooveel aan uiterlijk vertoon hechtte. Zijn beschermer stelde er prijs op, van de menschen te worden gezien, en dacht niet aan de Farizeën en het gebed in de stille binnenkamer. Niet alleen zijn linkerhand, de geheele wereld liet hij gaarne weten wat zijn rechter deed, en zijn ijver, om het verdelgende zwaard tegen de ketters te voeren, had hem geen tijd gegund nog aan een ander gebod, aan de woorden: vergeeft uw vijanden, te denken. Er was misschien nergens een huis waar de voorschriften der kerk zoo trouw gevolgd werden, waar men zoovéél dogmatiek — en zoo weinig vroomheid kende.

Die gedachte was reeds vroeger in Edward opgekomen, maar nooit zoo levendig als thans. Dalvilliers had een twijfel in hem gewekt, die zijn blik meer onderzoekend en zijn gehoor scherper maakte. «Niet eervolle plichten," weerklonk het in zijn binnenste, en hij lette bij die geheime vraag nauwkeuriger op de gebruiken zijner omgeving, op de eischen die zij hem stelde; immers daar alleen moest haar oplossing te verkrijgen zijn, en die wilde hij tot eiken prijs vinden.

Zijn wensch zou spoedig bevredigd worden.

Het was na een bijeenkomst van Viale met de landvoogdes, dat Edward, die daaraan had deelgenomen, een ontstemming bij den graaf bemerkte, welke hem te zonderlinger voorkwam naarmate hij gewaar werd dat de oorzaak hiervan in hein zelf scheen gelegen, want Viale was op hun terugweg buitengewoon stil en gunde zijn vertrouweling geen dier mededeelingen, waarmee hij anders na zulke audiënties zeer mild was. Deze voelde dat er een onweer aan de lucht hing, maar de oorzaak er van kon hij niet gissen, aangezien het gesprek bij Margareta niet over staatszaken had geloopen. Slechts eens had de landvoogdes van de

Sluiten