is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld. Angstig waakte hij dus over het gesprek en trachtte Frank zooveel mogelijk van den ketterschen leeraar verwijderd te houden, een poging die intusschen mislukte, want de nieuwsgierigheid van dezen naar den door Edward zoo verborgen gehouden gast was veel te groot, om hem niet nauwlettend ieder gezegde te doen opvangen, dat Silvia met den ernstigen bezoeker wisselde.

»Ik begrijp niet, hoe gij zooveel alleen wilt zijn," verklaarde Silvia levendig; »ik ken niets zoo akeligs als de eenzaamheid."

»Mij schijnt het alleenzijn geen eenzaamheid, want liet heeft zijn gedachten en plannen; slechts te midden der wereld kan ik het mij eenzaam voorstellen, waar het oog al haar leegten ziet en weet die niet te kunnen aanvullen, waar het ooi' klanken van smart of vreugde hoort, die het niet verstaat, en ieder denkbeeld, dat zich van haar vluchtige genietingen afkeert, een klank is, die wegsterft zonder een echo te vinden."

»(), ik houd van de wereld, van al wat schoon en genotrijk is," riep de Italiaansche. Zij zag er met de golvende, versierde lokken als het beeld van beide uit. Genot schenen die volle, 100de lippen te fluisteren, genot scheen de geur van die gloeiende rozen te ademen, wier purper tegen het witte gewaad afstak; en schoonheid, waar kon zij verleidelijker glimlachen, dan in die weelderige vormen ? Moest die aanblik den vreemdeling niet meesleepen? moest zij met dien lachenden mond niet alle somberheid wegschertsen ? Het scheen, dat de wolk van zijn voorhoofd niet wijken kon. Onverschillig, zoo niet met tegenzin, rustte zijn oog op haar. »En wat zal er overschieten, als de beker van het genot ophoudt de zinnen te bedwelmen, en de schoonheid verwelkt?" vroeg hij met nadruk.

»Dan zullen wij een anderen beker opnemen, en een anderen aanblik zoeken."

»Ja, als wij dat konden, als wij tot den kelk, waarin niets dan het grondsap overbleef, slechts zeggen mochten : nu vul u opnieuw; maar wee ons! hij staat voor altijd leeg, of hij bederft den nieuwen wijn, die wij er in gieten, met zijn achtergebleven, akelige bitterheid. Schoone jonkvrouw, waarom wilt gij u bedriegelijk vleien met de bestendigheid van het vergankelijke? l)e rozen, waarmee gij u tooit, gij weet dat ze verwelken zullen, en denkt gij dat de bloem van menschelijke vreugd langer duurt? Neen, zij bloeit heden, en morgen reeds is zij vergaan. Wat kan bestendig in ons leven zijn, waar het leven zelf zoo kort is als een morgendroom, zoo teer als de vleugels van den vlinder? Niets is eeuwig dan alleen dat heil, wat niet hier te bereiken valt, maar waartoe dit bestaan de doorgang is. O, wel ons, wèl ons, wanneer het bereikt zal zijn!" Hij hief de