Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van bijgeloof, een gevoel dat de vernielde bloem het zinnebeeld kon zijn van haar eigen, voor 't eerst weerstane macht? de wangen der jonge hofdame waren bleek geworden, en haar luchtige taal verstomde. Zij begreep de woorden van den Protestant niet, maar zij hoorde dat die koel, bijna veroordeelend klonken. Haar eerste indruk was die van een verwend kind, dat zich boos wil maken, haar tweede die van een onbepaalde leegte; was het dan alleen haar schoonheid, waardoor zij kon behagen? moest zij zoo machteloos zijn, waar die' niet bekoorde ? Het was een werkelijke pijn, die haar borst doortrilde, al was de uiting er van een kunstmatige en bedoeld om haar ontroering te verbergen, toen zij in 't Italiaansch tot haar beminde fluisterde: »ik gevoel mij onwel; wees niet verstoord, maar het gesprek vermoeit mij, breek het liever af."

Ëdward sprong verschrikt op. Hij deed eenige bezorgde vragen, verontschuldigde haar wensch, dien hij in 't Fransch overbracht, bij zijn gast, en wilde zich vervolgens met dezen verwijderen, doch Silvia hield hem terug. Zij wenschte meer van den vreemdeling te weten, en ofschoon zij slechts verzekerde door de warmte een weinig te zijn aangegrepen, droeg zij haar bede toch zoo dringend voor, dat geen minnaar die aan zijn verloofde weigeren en haar in zulk een toestand verlaten kon. Hoe ongaarne ook, moest hij er in toestemmen, dat de leeraar alleen met Frank vertrok, die terstond aanbood hem door het vreemde Brussel te geleiden.

Do knaap had zich niet in het gesprek gemengd,, maar met des te meer aandacht geluisterd, en liet moest indruk op hem hebben gemaakt, want toen zij Silvia verlaten hadden, begon hij plotseling: «gelooft gij, dat het zonde is, gelukkig te zijn?"

»Ons leven werd tot arbeid, niet tot ijdele vreugd bestemd."

»Maar zou God het zoo schoon gemaakt hebben, als hij niet wilde, dat wij het zouden genieten? is het geluk niet ook een geschenk van hem?"

De vraag was zoo eenvoudig, zoo kinderlijk bijna, en toch trol' zij den strengen man, die elk dogma zegevierend bestrijden kon. Zijn antwoord klonk zachter dan voorheen: »Gij zijt nog te jong, om reeds te verstaan, tegen welke vreugde ik strijd; wanneer gij ouder zijt, zal het leven zelf in al zijn nietigheid u leeren, wat het geluk waard is, dat deze wereld schoon noemt, en gij zult den inhoud zien, waar gij nu slechts den vorm kent."

Frank zag hem medelijdend aan. »Gij hebt zeker veel smart ondervonden ?"

»Wie in deze tijden is er vrij van? ik mag niet klagen."

De knaap aarzelde, er was in het geheele wezen van den vreemde

Sluiten