is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan der deur dacht te ontmoeten. Zij was de eerste, die Edward herkende. »Gij," riep zij meer verschrikt dan blijde, »gij in dit gevaar?"

«Wees gerust, het is voorbij; de beeldstormers zijn afgetrokken en zullen niet terugkecren, graaf Megen is met troepen aangekomen."

Uit de trekken der nonnen sprak die herademing, die zich uiteen groot gevaar gered voelt; alleen zuster Klara's gelaat onderging geen verandering. «Ilmenoude is verwoest, nietwaar?" vroeg zij.

»Helaas ja; gij moet het verlaten. Ik kan slechts kort hier blijven, doch eenigen mijner manschappen zullen u het geleide geven, tot waar uw tocht geen gevaren meer heeft. Hier is alles uitgeplunderd en uw veiligheid daarenboven niet gewaarborgd. De beeldstormers zijn geweerd, maar ik vrees dat deze streken erger strijd zullen zien; alleen in Brussel heerscht thans rust voor hen, die niet aan don krijg kunnen deelnemen."

De meeste nonnen schenen in dit bericht weinig smartelijks te vinden. Een plek, wier droeve eenzaamheid haar zelfs niet het voorrecht van volkomen zekerheid kon schenken, zeiden zij, na de bange uren er zooeven doorleefd, bijna met vreugde vaarwel, en de verwoesting, die haar blik aanschouwde, toen zij nu de kapel verlieten, versterkte haar verlangen. Edward behoefde haar niet verder toe te spreken; slechts in zuster Klara's oo<j;en zag hij tranen staan,die hem met angst vervulden. »Ik bid u," zeide hij op dringenden toon, «misken het gevaar niet; laat mij niet vreezen, dat gij hier zonder bescherming zoudt willen toeven."

«Neen Edward, ik wil niet ergens blijven, waar ik mij zonder noodzaak aan gevaren, die ik niet bestrijden kan, blootstel, maar vergeef mij dat ik niet gemakkelijk van dit oord afscheid neem. Ik geloof dat gij, die in de wereld leeft, zulk een weemoed niet kunt verstaan; gij vindt overal een eigen iets, wij vinden dat alleen in ons klooster; wij hebben geen eigen naam, geen gezin, niets waaraan zich voor ons de gedachte van eigen bezit of huiselijkheid verbindt, dan alleen de plek die wij bewonen, en op mijn liefde heeft deze plaats nog een bijzonder recht. Zij vereent voor mij de herinnering aan een groot leed en het denkbeeld van den troost, dien ik hier vond; al deze gedachten, waarmee ik sedert jaren geleefd heb, laat ik achter, om opnieuw een vreemde te worden, die zich bewust is geen tehuis te hebben."

«Maar uw vroegere vrienden in Brussel zullen u daar welkom heeten, de landvoogdes...."

Het gelaat der non nam een afwerende uitdrukking aan. «Neen,"