Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genadige vrouw; ik wilde voor eenigen tijd naar Antwerpen gaan."

Margareta voelde een blijde verwondering. Zij begreep nu wat Meerwoude bedoeld had, toen hij die toespeling op zijn positie maakte, die bijna als een verwijt klonk, dat zij van zijn diensten geen meerder gebruik had gemaakt. Het was vreemd, zijn woorden behelsden geen aanbod van eenigen aard hoegenaamd, en het antwoord, dat zij er op gaf, was even onbepaald, maar toch gevoelden beiden dat aanbod en aannemen er in besloten lagen, en dat Reinout ditmaal in haar dienst naar Antwerpen zou gaan, terwijl de vorstin van haar kant genade aan Dalvilliers zou schenken.

Zij was zeer tevreden. Dat hij zelf zich bereid verklaarde, bespaarde haar de altijd onaangename kennisgeving, dat zij hem noodig had, en met geheimen triomf overdacht zij hoe menschen, wanneer men hen maar met zekere achteloosheid op zij zette, zich toch weer van zelf kwamen aanmelden. Meerwoude had met souvereine minachting ieder aanbod, dat zij hem gedaan had, van de hand gewezen, maar nu zij hem eenigen tijd in zijn eenzame grootheid gelaten had, was het hem toch duidelijk geworden, dat hij niet buiten haar kon, en in het streelende bewustzijn harer onontbeerlijkheid was zij zeer goedgunstig voor zijn verzoek gestemd om Oranje in militaire aangelegenheden een anderen opzichter te geven, dien hij haar in den persoon van den hoofdman Walderiinger aan de hand deed, en hein zelf met een staatkundige zending te belasten, die zijn langer verblijf binnen Antwerpen natuurlijk kon maken. Om geen verdenking te wekken, zou hij ook De Lanoy's leger niet verzeilen, maar zich van de stad uit, in schijn als beschermer der opstandelingen, bij hem voegen en de strenge maatregelen, die dezen uitdrukkelijk bevolen waren te nemen, afkeuren; te meer zouden zoo de Protestanten vertrouwen in hem stellen.

Dat hij De Lanoy door zijn mededeelingen de noodige hulp bewijzen zou om de vijandelijke posities beter te leeren kennen, was een zaak, die noch hij noch Margareta aanroerden, maar zij stond als met onzichtbare letters tusschen de woorden, waarmee de landvoogdes Dalvilliers' pardon neerschreef.

Er rustte een uitdrukking van zelfvoldoening op hare trekken, terwijl zij hem dat papier overhandigde; zij voelde zich door het aanbod van zijn dienst toch weer als meesteres, en Meerwoude droeg zorg haar dien triomf, al mocht de zoete smaak er van een weinig op zijn kosten zijn, volkomen te doen genieten. Bij een man zouden de gedachten, die hij wist dat in haar omgingen, hem vernederend voor zijn waardigheid geschenen hebben, maar bij een vrouw had de verblinding, die ze ingaf, iets zeer vermakelijks. Er was zulk een

Sluiten