is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit te lokken. Men moest in de gisting, die er lieerschte, behagen scheppen, wijl zij het oog zooveel nieuwe tooneelen te aanschouwen gat, of hopen dat zij rijke beloften voor de toekomst in zich droeom een verblijf dragelijk te vinden, dat op het wonen bij een vulkaan geleek, die eik oogenblik vernielend kon uitbarsten.

Sedert de aankomst van Tholouze met zijn bende opstandelingen was de geest m Antwerpen, reeds vroeger verhit, nog dreigender geworden, en de kreet van verzet galmde met hevigheid door de straten. Men moest de broeders die, door Oranje uit de stad gewezen, in het gezicht harer wallen, bij Oosterweel, een kamp hadden opgeslagen, bijstaan! klonk de eisch der opgewonden menigte, en stemmen uit haar midden verkondigden zonder schroom, dat de prins, die haar tegenhield, een verrader geworden was. Reinout had gelijk «een zaak kon dezen meer schade gedaan hebben dan ,1e opstand, die hem tot een verklaring zijner tot nog toe in het onzeker gelaten zienswijze scheen te dwingen, en zoo liet ooit een hart aangenaam zijn kon van de moeielijkheden bericht te geven, waarin zich iemand bevond dien het geen rust gunde, dan waren de brieven, die Meerwoude van hier te schrijven had, buitengewoon aangenaam.

Dat Oranje zich niet ter gunste van Tholouze verklaren zou, leed voor de meesten, evenals voor hem, geen twijfel, maar dat dit gedrag zijn invloed bij de Protestanten voor een groot deel breken zou, was met minder zeker. Hij mocht de opstandelingen niet bestrijden; ten spijt van het bevel der landvoogdes had hij de in Antwerpen liggende tt nepen onder voorgeven de stad nu niet van garnizoen te kunnen ontbloot en, werkeloos gehouden; voor de verbitterde bevolking was dit slechts een reden te meer tot aanklacht. Men wist in welk een nauwe verbinding hij tot den heer van St. Aldegonde gestaan had; het scheen onmogelijk dat hij de plannen van diens broeder niet gekend zou hebben, ja Tholouze niet op zijn raad gehandeld had; en nu otterde hij den jongeling, die alleen door zijn aansporing en oogluikend toelaten den moed tot zulk een waagstuk kon gevonden hebben, meedoogenloos op, - luid of heimelijk, maar algemeen woei klonk dat afkeurend oordeel.

Het was vreemd in dat woord jongeling lag misschien de sterkste prikkel tot toorn dien de menigte vinden kon als zij Oranje beschuldigde. W are de kettersche aanvoerder een twintig jaar ouder geweest men zou niet half die deelneming voor hem gevoeld hebben, die hij thans opvvekte, en hoe minder geschikt zijn jeugd hem tot volksleier maakte, hoe meer het volk door hem geleid wilde worden; men kon zich niet met het denkbeeld verzoenen een nog zoo jon" leven aan het verderf op te otteren. Beiden, Tholouze en Dalvilliers wier