Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ervaringen van tuchtelooze onbekwaamheid in het saamgeraapte leger, dat een bevelhebber als iemand scheen te beschouwen, die alleen bestond om niet gehoorzaamd te worden, het liefst dadelijk een groote onderneming ten dienste zijner zaak op touw gezet, en een zucht ontsnapte zijn borst bij die gedwongen rust, waartoe de wil van zijn makker, minder sanguinisch dan hij, hem veroordeelde. Dalvilliers was een van die gelukkigen, die in den strijd nooit wankelen, omdat zij vast aan de overwinning gelooven, en die zich ook te veel wagen om ooit een eindelijke nederlaag te aanschouwen, menschen, die^geheel in hun eigen overtuiging leven, en sterven eer zij geschokt kon worden. Noch de beeldstormerij, noch de onmacht zijner partij had hem een oogenblik in zijn toewijding aan de Protestuntsche zaak doen aarzelen; zij mocht dwalen, zondigen zelfs, zij mocht het geluk tegen zich hebben, hij zou haar niet verlaten, en hij hing haar aan met hetzelfde vuur, waarmee hij haar ooit in voorspoediger

dagen had vereerd.

Een luid gedruisch deed zich plotseling buiten hooren. «Daar zijn zij! daar zijn zij!" klonk het juichend, eenige stormden het vertrek niet de boodschap binnen, dat de verwachte hulptroepen, die graaf Brederode beloofd had uit Holland te zullen zenden, in aantocht waren. Haastig sprong Tholouze op, Dalvilliers was hem reeds vooruitgesneld, en ja, "in de verte bespeurde men troepen, het was een bevriend sein dat gehoord werd. Vol blijdschap zag ieder zijn makkers aan.

In snellen marsch rukten de met zooveel vreugde begroete gelederen voort. Hun banieren waren opgerold, zij droegen geen teekenen waaraan men hen kennen kon, maar geen twijfel, zij waren vrienden! Nader en nader kwamen zij, de harten klopten sneller, de blikken werden gespannen als moesten zij op dit moment verder kunnen zien dan de oogen anders reikten, nog eenige minuten, eenige seconden slechts, en dan — heilige God! het waren de Spaansche vaandels, die plotseling ontplooid door de lucht wapperden, het was de strijdkreet: «Jezus, Maria!" die in de ooren der bedrogenen klonk.

Een schrik, koud als de dood, welken dat gezicht te spellen scheen, greep hen aan. Met de onwillekeurige beweging van iederen angst, 0111 het gevaar te ontvluchten al verergert ook juist de vlucht dat gevaar, wendden zij zich om en stortten in wilde verwarring dooreen. De twee edelen waren de eenigen die hun bezinning niet verloren. «Blijft achter de verschansingen," riep Tholouze tot de wijkenden, terwijl hij ze trachtte te verzamelen, «geeft hun vandaar de volle laag, maar wacht tot zij in 't bereik van uw schot zijn." Hij gordde haastig het zwaard vaster en laadde zijn geweer. Een half onderdrukte zucht gleed over zijne lippen; hij kon bij het gezicht

Sluiten