is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die hem had trachten te weerhouden, maar juist daarom schaamde hij zich voor hen die hem gewaarschuwd hadden. Elk onvriendelijk woord, eens tegen zijn zuster gebezigd, deed hem te meer voor een verklaring vreezen, die haar gelegenheid geven zou, hein zegevierend aan zijn ongelijk te herinneren, want hij onderstelde in haar denzelfden triomf, dien hij in zulk een geval zou koesteren. Het ware hem lief geweest haar de ontdekking van zijn toestand te zien maken, mits hij maar niet bij die ontdekking tegenwoordig moest zijn en haar verwijten of haar spot hooren. Hij deed alles om haar de waarheid te verbergen, maar toch, zoo groot is de tegenstrijdigheid van menschelijke wenschen, stelde het hem in den grond van zijn hart teleur, dat zij niets merkte, en zeide hij ergerlijk in zich zelf: «eerst had zij zooveel woorden, waarom moet zij nu zoo onverschillig zijn? het is of zij oog en oor voor alles verloren heeft."

De opmerking, hoe vreemd ook in zijn mond, scheen niet zonder reden. Er was inderdaad een verandering in Helene gekomen, die Eilips alleen aan onverschilligheid kon toeschrijven, omdat hij niet wist uit hoeveel smart, hoeveel uren van angstigen strijd zij was geboren. Voor hem was Edwards verloving een zaak, die men eenige (lagen lang besprak en daarmee afdeed; hij vermoedde niet dat zij voor het leven zijner zuster de bron was geweest, waaruit al de tranen geweld waren, die haar zoo blind voor zijn aangelegenheden hadden gemaakt.

Aan den kalmen blik der heldere oogen zou men zeker geen spoor dier zilte druppels gezien hebben; de loop der maanden had ze droog en strak doen worden; men zag niet meer, hoeveel nachten zij doorweend hebben, eer het zoover gekomen was; Ilelene zeil herinnerde zich de tijden niet, die tusschen haar eerste gevoel van vertwijfeling en deze kalmte inlagen, zij had dien overgang zoo onbewust gemaakt, als honderden van teleurgestelde harten, voor wie zulk een stemming pleegt aan te breken.

Den mensch is bij al zijn leed een steun gegeven, die hem bijblijft, wanneer zelfs de goede engelen van hoop en verwachting hem niet meer omzweven, het is het vermogen van zich te gewennen en te vergeten. Homerus zegt, dat de Goden het menschelijke leven in een vat doopten, gevuld met smart en bitterheid, maar gelukkig waren in dat vocht der tranen eenige droppels van den Lethestroom gevloeid, en die heelen wel geen wonden, maar zij doen toch vergeten hoe diep het zwaard des jammers trof. De tijd is een wieg van bitter leed, maar ook een graf er van; hij neemt teer beminde wezens weg, maar hij doet ook de levendigheid der smart met den loop der jaren

verminderen. Gelijk het schoonste leven niet voor sterven bewaard

7

IN DAQKX VAN STRIJD. III. '