Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Filips te redden; ik meende dat gij toen voor 't eerst hoordet wat mijn broeder gedaan had en ik dankte u; was dat alles spel? had ik u moeten aanklagen instee van danken ? wist, verwachttet gij al wat mij toen zoo verpletterend trof? hadt gij het bewerkt? O, Reinout, men noemt u 1'ilips verleider; zeg dat gij het niet geweest zijt, zeg dat gij geen schuld hebt, zeg mij slechts één, één enkel woord, en ik zal u gelooven, op mijn knieën zal ik u om vergeving voor dien argwaan smeeken."

Hij antwoordde niet, een doodelijk bleek had zijn gelaat overtogen. De bekentenis, waarop hij rekende, was haar liefde tot Edward; aan dit had hij nooit gedacht. Als zijn noodlot stond zij voor hem met die angstige vraag op de bevende lippen; hij kon geen uitstel eischen, hij moest spreken, en elk woord bestierf in zijn mond; stom, machteloos stond hij tegenover haar.

Ook zij verbleekte: «Reinout, sprak zij, »moet gij verstommen? z'jt gij dan waarlijk schuldig? O, zeg neen, spreek, in naam van uw eer als man, dat ééne woord, en ik zal alles voor laster houden. Ik kan niet gelooven, dat gij zoo gehandeld hebt; indien het zoo

ware " — zij hield op, en zag hem aan met een blik, die door

elk masker scheen te willen heendringen.

Hij voelde de beteekenis van dien blik. Hij kon in dit uur niet huichelen, want de sluwe, berekenende man, hij was machteloos bij het gezicht der vragende oogen zijner vrouw. »En indien liet zoo ware ?" zeide hij eindelijk met moeite.

Helene deinsde terug. Zij had hem nooit bemind, en tocli had zij op dit oogenblik haar leven willen laten, om hem zijn daad te hooren ontkennen, om te kunnen gelooven dat zij niet zóó bedrogen was. De smart had zij weten te verduren, maar dit was meer, dit was de vernedering, en haar moed begaf haar bij de gedachte hoe zij niets dan een speelbal in gewetenlooze handen had mogen zijn. Zij vergat de tegenwoordigheid van den bedrieger, zij zag alleen zijn bedrog, en in haar zetel neerstortend bedekte zij haar gelaat, terwijl een krampachtig snikken haar borst bewoog. »Zoo hebt ge mij dan misleid! als een verpletterende aanklacht drongen die woorden tot haar echtgenoot. Een oogenblik stond deze roerloos. Hij zag op die bevende gestalte, die snikte zonder tranen te kunnen vinden, en zijn hart kromp ineen. «Helene," zeide hij zacht, «herstel u, hoor mij aan. Zij antwoordde niet, en de stilte gaf hem zijn bezinning terug. Met iets van den ouden toon van meesterschap in zijn stem vervolgde hij: »gij verstaat mij niet; zoo ik uw bezit hoog genoeg stelde, om er eenige nietige vooroordeelen aan op te offeren, zoo ik een lichtzinnigen verkwister niet terughield...."

Sluiten