is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Gij handelt zooals ik wist dat hot zijn moest," antwoordde zij. «Ja, Edward, ik ben gekomen om u een vaarwel te brengen, dat u zou zeggen, wat ik in die smartelijke ure, toen wij elkaar voor liet laatst zagen, niet zeggen mocht, al voelde ik het toen ook, gelijk ik het altijd gevoeld heb;" —- haar stem stokte, zij dacht er aan hoeveel beter het geweest ware als zij gesproken had, en er was een licht beven in haar stem, toen zij voortging: «ik scheen koud en onverschillig op dat uur, het was omdat ik wenschte zoo te zijn, maar o, ik was het niet, ik kon niet vergeten hoe lief ik u had."

Een gevoel van zelfverwijt kwam in hem op. «Helene, hoe heb ik u miskend!" sprak hij treurig.

«Niet gij alleen, wij beiden; maar toch wij hebben elkander gevonden, laat ons de scheiding vergeten en alleen aan het weerzien denken; onze oogenblikken zijn weinige." — Ondanks de vastheid van haar besluit ging een zucht over haar lippen; liet viel haar toch zwaar zich zoo geheel in de sterkte van haar overtuiging te verliezen.

Edward hoorde dien zucht. Geen aarzelen voor hem zelf, maar een twijfel of zijn onwrikbaarheid gerechtvaardigd was greep hem aan. «Helene," riep hij, «handel ik verkeerd? zeg mij dat ik u niét alléén mag laten, en ik wil blijven, uw oordeel beslisse; is de stem, die mij roept, een ijdele klank? Mijn geliefde, is het onrecht, zoo ik haar volg?"

Zij had haar kalmte hernomen. «Neen Edward, neen," antwoordde zij vast, «de stem die u roept is heilig, en gij moogt, gij moet baaivolgen. Waan niet, dat ik het anders zou willen, dat ik doof kon worden voor het woord van ons verleden, hetwelk mij zegt, dat er iets tusschen ons is, wat nooit daar mag zijn, waar geluk zou kunnen wonen. »Ik zelf heb dit gekozen, maar ach, mijn hart is zwak, vergeef mij zoo het een oogenblik faalde."

«O, Helene, dat hot juist die kracht is, die ik van u vorderen moet!" Het was hem aan te zien, hoe zwaar het hem viel, niets dan die woorden van beklag te hebben voor haar, die hij het innigst beminde, en toch, hij kon niet zeggen: handel anders, opdat deze smart aan u voorbijga. Het was waar, er stond iets tusschen hen. De weduwe van Reinout van Meerwoude kon niet meer de gelukkige gade van zijn doodvijand worden; hun handen mochten zich alleen tot afscheid in elkander leggen, wilden zij niet de schim van den doode zien, die dreigend voor hen oprees.

«Waarheen wilt gij gaan?" vroeg hij eindelijk.

«Mijn broeder is in Duitschland en roept mij tot zich; er is. zegt hij, veel in hem veranderd, ik zal voor het eerst in waarheid in hem vinden wat hij vroeger slechts in naam was. Wij hebben veel