Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleden en ervaren, wellicht voert liet ons tot een beter leven. Ik wil het beproeven."

Er was diepe weemoed in baar toon, maar geen hopelooze berusting. Hij voelde dat er een moed en een kracht in haar waren, die haar zouden steunen. »En zuster Klara?" vroeg hij.

»Zij blijft in Brussel, haar hart hangt aan de oude herinneringen, en haar land is haar dierbaar; zij kan van hier niet scheiden." »Zult gij het kunnen doen?"

»lk weet, het zal mij zwaar vallen, maar toch het is beter. Het is zoet in mijn vaderland te blijven, ook al heeft men er geleden, wanneer men, als zij, denken mag aan ieder uur, dat men er doorleefde, maar ik — er is veel dat ik vergeten moet, veel dwaling en — schuld."

Een geluid als het signaal van een trompet klonk plotseling in de verte. Als een schok doordrong beiden die toon. Zij wisten wat hij beteekende. »Zoo snel reeds?" iluisterde Helene, en haar hart voelde nog eens zich pijnlijk samentrekken.

De troepen maakten zich gereed; zij moesten scheiden.

liet roode, flikkerende licht der wachtvuren viel helder op hun gelaat, en voor 't laatst ontmoette zich hun blik, een lange, diepe blik.

Maar zij zagen elkander niet, zooals zij daar stonden, met de litteekens van smart en zorg, die blijvende sporen van hun verdwenen leed; niet zooals zij waren; neen zooals zij hadden kunnen, hadden moeten zijn. Het verleden rees voor hen op en spon een andere toekomst, liet legde hun handen ineen, niet tot een eeuwig afscheid, neen, tot een eeuwige vereeniging; het fluisterde: zijt gelukkig in uwe liefde! en zij waren gelukkig, er was zonneschijn om hen heen; zij zagen — de toekomst, die zij zich zelf hadden kunnen opbouwen, en toen eerst zagen zij het heden, en het gevoel van geheel hun verstoord leven kwam in hen op.

»Hoe gelukkig hadden wij kunnen zijn!" als in een droom sprak Edward die woorden. Het was een vonnis over zijn eigen daden; de wroeging van het zelfverwijt was voorbij en hij beoordeelde zich kalm als een vreemde, doch in die kalmte lag de diepte van zijn leed uitgesproken, want de weg tot haar gaat alleen door oneindige smart.

Helene zag op, haar gelaat was helder en er zweefde een glimlach op hare lippen, geen lach van vreugde, weemoed of bitterheid, neen van iets, dat al die gevoelens gekend maar ze alle overwonnen had, de glimlach van den vrede. Zij sprak op zachten toon: »het leven van velen is een dwaling, wij hebben ze ten minste erkend. Zooals ik hen gezien heb, in al het leed dat zij zich berokkenen, met al

Sluiten