Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der cellen, op welker oppervlakte het licht onder een rechten hoek valt, dus in de cylindervormige palissadencellen van een blad langs de aan de oppervlakte der bladschijf evenwijdig loopende kleine wanden, en het is begrijpelijk, dat zulke cellen en de daaruit ontstane weefsels, gezien in de richting van het opvallend licht, donkergroen lijken. Zoodra rechtstreeksch zonlicht invloed krijgt, worden de chlorophylkorrels van die wanden weggedreven en verplaatst naaide aan de richting van het invallend licht evenwijdige wanden der cellen. Zijn het palissadencellen, dan groepeeren zieli de chlorophylkorrels langs de lange zijwanden, terwijl de kleine, door de zonnestralen onder een rechten lioek getroffen celwanden chlorophylvrij en kleurloos worden. Zijn het veelarniige cellen van sponsparenchym, dan worden de chlorophylkorrels. die gelijkmatig!n de cel waren verdeeld, in do celuitsteeksels in groepen saamgedrongen, terwijl liet middelveld der cel lichter gekleurd en eindelijk chlorophylvrij is geworden. Het geheele weefsel echter, waarin die verschuiving heeft plaats gehad, is veel bleeker van tint dan vroeger en vertoont vaak een beslist geelgroene kleur.

Zeer fraai ziet men dezen, naar de intensiteit der verlichting wisselenden stand der chlorophylkorrels bij de zeer eenvoudig gebouwde, slechts twee lagen van korte, groene cellen bevattende blaadjes van Lenma trisulra | het ook in onze wateren wel voorkomende Driegroevig Eendenkroos|, waarvan onderstaande afbeelding drie loodrecht op de oppervlakte van het groene weefsel gedane doorsneden vertoont.

1 9

Ligging van de bladgroenkorrels in de cellen van het Driegroevig E enden kroos, Lemua trisulca.

1. In donker. 2. In het directe zonlicht. 3. In diffuus licht. ^

Met deze verschijnselen hangt zeker ook samen de verandering

1 11

gedaante, die tengevolge van de verschillenen vo.-l;1.1,, «■ l;; ,i„

chlorophylkorrels zelf wordt waargenomen. In de blaadjes van Funaria hygrometrim, een op houtskoolmjjton, op vochtige muren en rotsen veel voorkomend bladmos |dat ten onzent o. a. in Limburg in leemkuilen in zeer groote hoeveelheden voorkomt | zijn de chlorophyllichaampjes, die tegen de buitenwanden der cellen zijn gelegen, bij diffuus licht, plat, hoekig en te vergelijken liij kleine veelhoekige plaatjes. Ook zijn ze zoo gelegen, dat de geheele door hen bedekte wand gelijkmatig groen lijkt, en er alleen smalle ongekleurde strepen tusschen open blijven. Zoodra rechtstreeksch zonlicht binnenvalt, veranderen ze snel van vorm; uit de plaatjes worden half bolvormige of kegelvormige lichaampjes, die naar het midden der cel gericht zijn. Daarbij worden de grondvlakken dier chlorophylkorrels, gelegen tegen den celwand, samengetrokken: de kleurlooze tusschenruimten nemen aanmerkelijk in breedte toe, 011 ten gevolge daarvan wordt de groene kleur der bladschijf minder sterk.

Sluiten