Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wachten, dat al naar den vorm der afzonderlijke soorten en naar do standplaatsen, die zij innemen, de genoemde inrichtingen van zeer verschillenden aard zullen zijn.

Daarbij komt ook nog in aanmerking de omstandigheid, dat ieder plekje, waar een plant zich heeft gevestigd, in den loop der tijden veranderingen kan ondergaan, ten gevolge waarvan de hoeveelheid en de kracht van het daar invloed oefenende licht mede veranderen. Planten met een lang leven, die sterk in de hoogte en in de breedte groeien, veranderen in hun verschillende levensperioden hun betrekking totale zon, en moeten dientengevolge ook van gedaante veranderen, of ten minste wijziging brengen in richting en stand hunner groene weefsels. Dat alles heeft een verscheidenheid der bedoelde inrichtingen ten gevolge, die werkelijk tot in het oneindige gaat, en die het bijna onmogelijk is, volkomen afdoend te behandelen. Om een overzicht te krijgen, schijnt het aanbevelenswaardig, uit de lange reeks der inrichtingen, welker beteekenis gelegen is in de zorg, dat elke plantensoort voor haar groene organen noch te weinig, noch te veel licht krijge, de merkwaardigste uit te kiezen en daaraan, als voorbeelden voor een nu eens grootere, dan weer kleinere groep, de betrekking tot het licht te verduidelijken.

Beginnen wij met de inrichtingen, die samenhangen met een bepaalde standplaats, en onderzoeken wij allereerst die planten, die in grotten en holen hun woonplaats hebben, daar blijven en al hun stadiën van ontwikkeling daar doormaken.

In diepe, van het licht geheel afgesloten holten, die zich hebben gevormd buiten den invloed van den mensch, alsook in die, welke voor het winnen van ertsen, kolen, zout en. water werden gegraven, ontbreken gansch en al de planten met bladgroenhoudende cellen en weefsels. Wat daar aan gewassen wordt gevonden, beperkt zich tot bleeke zwammen, die leven van de weinige organische verbindingen, die het binnensijpelende water uit het zonnige land daarboven heeft meegevoerd naar de diepte, of die zich hebben afgezet op de door menschen of dieren toevallig of opzettelijk aangevoerde organische, vroeger of later tot ontbinding overgaande lichamen.

Anders is het in holen, grotten, groeven, mijnen en putten, waarin eenig licht van boven of van ter zijde, al is liet maar door een betrekkelijk kleine spleet, kan binnendringen. De daar ontstane plantengroei is wel niet rijk, maar het is toch een opmerkelijke omstandigheid, dat daar nog groene planten leven. Wat bij een blik in die eenzijdig verlichte holen werkelijk verrassend aandoet, is het feit, dat het groen der daar gedijende planten frisscher en levendiger van tint is, dan dat der planten buiten do holen. Heeds de in Zuid-Europa algemeen verspreide varen Scolopeiidriuin officinaruni, een soort van Hertstong, die de in diepe schaduw wegschuilende zijwanden van rotskloven siert, is veel levendiger groen gekleurd, dan wanneer de plant in een open ruimte op steenachtige plaatsen groeit, waar van alle zijden licht kan toestroomen. Ook de levermossen, die de vochtige steenen bedekken, in de grotten, waar bronnen door stroomen, zijn daarin het halfdonker beslist mooier groen dan buiten de grot.

Sluiten